I know what I did…

19970306_fietsen in amerikaIk ben een liefhebber van series als NCIS, CIS, Silent Witness, Midsummer Murders. Ik vind het knap dat altijd elke zaak opgelost wordt. Hoewel, dat kan natuurlijk niet, want er bestaat ook een programma Cold Cases. Die zijn niet opgelost.

Soms komt in een van mijn favoriete series zo’n cold case voorbij. Wordt de vraag gesteld, ‘Wat deed jij op voeg datum in een grijs verleden in om drie uur ‘s-middags?’.  En dan komt mijn punt: iedereen weet nog wat hij/zij tig jaar geleden om drie uur ‘s-middags deed.

Het zal aan mij liggen. Ik weet soms niet eens wat ik vorige week vrijdag om drie uur deed, laat staan op een datum ergens in een grijs verleden. Kijk, dat de partner  of kinderen van het slachtoffer het nog weten, a lá. Maar een willekeurige voorbijganger? Nah.

En toch… Toch weet ik wat ik vandaag de dag, 25 jaar geleden, deed. Niet veel. Uitpuffen. Letterlijk en figuurlijk. Time flies!

 

De droom verklaard

Google is my friend en zo ben ik er achter dat wanneer je droomt over een toiletbezoek dat je zaken aan het loslaten bent. Of moet gaan loslaten. Gezien alles wat de laatste 100 jaar is gebeurt, en het denkproces van met name het laatste half jaar, kan dat goed kloppen.

Dan nu de combinatie van De Hamert en een toiletgebouw in de jungle, compleet met gat in de grond. Komt-ie!

Vorige week, tijdens mijn wandeling in natuurgebied ’t Zwart Water, stond het water mij binnen een kwartier na start wandeling, spontaan aan de lippen. UIteindelijk heb ik mij even teruggetrokken achter de wortels van een omgevallen boom waar flink wat struiken omheen stonden, om dat te doen waar moeder natuur om riep. Of in ieder geval mijn blaas.

Naast een rokje en een thermolegging had ik meerdere laagjes kleding aan. Die laagjes zorgen er voor dat naar het toilet gaan een soort puzzel is. Met name het feit dat de legging over een hemdje gaat, en de rok weer over de legging, maakt even snel naar het toilet gaan lastig.

Altijd wanneer ik ‘terug naar de natuur’ iets te letter opvat, moet ik denken aan de toiletgang tijdens de tiendaagse trektocht in Nepal. Dat geschiedde over het algemeen hurkend achter een struik, buiten het zicht van de rest van de wereld. Behalve van dat ene kind wat dan, net op het moment dat jij op je hurken zat, onverwachts uit de struiken opdook en vroeg, ‘Do you have pen?’ Ik weet niet of het nu nog zo is, maar rond 1990 waren Nepalese kinderen altijd op zoek naar school supplies.

Komen we nu bij het laatste deel van mijn droom. Restaurant De Hamert. Dinsdag las ik dat dit voormalige sterrenrestaurant failliet is, en haar deuren voor het publiek heeft gesloten. In de vorige eeuw ben ik tweemaal door de toen nog open deuren naar binnen gegaan.

De eerste keer was aan het eind van een wandeling die ik samen met een vriendin had gemaakt. Het weer was bar slecht. Gehuld in regenkleding, op bergschoenen en regenlaarzen, met modderspatten tot halverwege onze broeken, stapte wij de hal in, op zoek naar een toilet en warme koffie. Zonder pardon werden wij naar buiten gebonjourd. Iets met niet gekleed zijn conform de kledingvoorschriften, aldus de bonjourende meneer.

Een week later liep ik voor de tweede keer in mijn leven die hal binnen. Dit keer niet samen met mijn vriendin, maar in gezelschap van mijn toenmalig echtgenoot en het voltallige management team van het bedrijf waar hij werkte. Tja, jurkje aan, haren in de krul, pumps, ‘goed’ gezelschap. De bonjourende man kwam vragen of hij mijn jas aan kon nemen. Het duiveltje in mij zei, ‘Oh, dus nu ben ik wel welkom,’ en hij bood zijn excuses aan. Case closed. Maar niet helemaal.

Mijn droom is dus niets anders dan het loslaten van bijeengeraapte indrukken en een samenloop van omstandigheden.  Of zoiets.

Een nare droom…

Aan het begin van de ochtend word ik wakker uit een vage droom. Ik ben in De Hamert, op het toilet. Ooit was De Hamert sjiek de friemel; hét aspergerestaurant uit de regio, in bezit van een ster. Nu is het doek gevallen, De Hamert is failliet.

Om onduidelijke redenen is het hele gebouw opgepakt en ergens in een oerwoud geplaatst. Bij binnenkomst van de toiletruimte zie ik dat niet alles mee verhuisd is. Achter elke deur bevinden zich nu een gat in de grond en twee uitsparingen voor de voeten. Ondanks de temperatuur draag ik een thermo maillot maar geen schoenen. Terwijl diverse dames ongeduldig op de deur bonken, besluit ik mijn maillot uit te doen, zodat de voeten niet nat kunnen worden wanneer ik in de uitsparingen stap, of ga flushen.

Dan blijkt mijn droom een nachtmerrie

Nadat ik eén voet uit mijn maillot heb gewurmd en bezig ben met been twee, valt het loshangende deel van mijn maillot in de pot. Met een snelle beweging hoop ik het leed te beperken maar helaas. Door die actie spettert het niet al te fris ogende water uit het gat onder mij, alle kanten op. Dan pas realiseer ik mij dat doorspoelen niet tot de opties behoort. Met een op springen staande blaas zak ik, met ingehouden adem, en griezelend van de nattigheid onder mijn voeten, door de knieën. Terwijl de dames buiten steeds ongeduldiger worden, besluit mijn blaas zich druppeltje voor druppeltje voor druppeltje te legen.

Wanneer mijn blaas eindelijk leeg is, en ik sta te bedenken wat ik met die natte maillot aanmoet, gaat het gebonk buiten over in gegil. Gegil wat overstemd wordt door een trompetterende olifant.

Met bonzend hart, badend in het zweet, schiet ik overeind. Mijn blaas staat op springen. Ademloos loop ik naar het toilet en haal opgelucht adem.  Het was maar een droom.

When will I ever learn?

Zo rond derde kerstdag voelde ik wat ‘gerommel in de trommel’. Oftewel, mijn darmen waren van slag. Niet vreemd, na twee dagen uit eten gaan. Hoe goed de koks en het bedienend personeel ook hun best doen mij geen gluten voor te zetten, het kan altijd een beetje fout gaan.

Tegen de tijd dat het oude jaar afscheid nam, wist ik dat er meer aan de hand was. Ik was koortsig, liep (te) vaak naar nummer 100 en voelde mij beslist under the weather.  Vanuit de gedachten, zo lang ik naar het toilet kan wandelen, is er niets aan de hand, negeerde ik de signalen, en ging door met mijn leven.

In de nacht van zondag op maandag nam mijn lichaam het heft in handen. Wandelen was vanaf dat moment out of the question. Na mijn persoonlijk record op de 10 meter meerdere malen te hebben verbeterd, gaf ik toe aan mijn lijf. Ik trok mij met een dekentje terug op de bank, liet het stof en de tandpastavlekken in de badkamer met rust, ging niet wandelen en, heel belangrijk, stopte met het drinken van koffie en het eten omdat het tijd is om te eten.

Legitiem lanterfanteren dus. Tegen een uur of vier voelde ik een knaagje in mijn maagje en wandelde uiteindelijk, de koelkast toonde een groot gapend gat, toch even naar de supermarkt. Dat leerde mij twee dingen. Ten eerste bleek die 2 x 150 meter wandelen nog best ver te zijn. Ten tweede knapte ik van een lichte maaltijd voldoende op om een rustige, maar vooral goede nachtrust te hebben. Het gevolg: de koffie smaakt mij weer, mijn darmen zijn weer rustig en de koorts begint af te nemen.

Ik zeg altijd, tegen iedereen, ‘Wel goed uitzieken hoor’,  maar heb daar zelf wat moeite mee. When will I ever learn? Ik geloof dat ik een voornemen voor dit jaar heb gevonden!

Ik ben een krokodil!

Hap! Snap! Klap!

Verbaasd kijk ik om mij heen om de oorzaak van het geluid te achterhalen. Naast mij staat een klein, roodharig meisje met een boos gezicht. Ik glimlach naar haar. Zij reageert niet. Maar zij hapt, snapt en klapt ook niet naar mij. Ik kijk weer voor mij uit, in afwachting van de bus. Ik voel beweging in mijn rugzak. ‘Toet, stil,’ sis ik zachtjes.

De hap! snap! klap! wordt dit keer gevolgd door een zacht gegiechel uit mijn rugzak. ‘Nu mag ik Toet.’ Ik voel wat gestommel in mijn rugzak. In de verte zie ik de bus aankomen. ‘Terug Rozi,’ sis ik weer.

Hap! Snap! Klap! ‘Ik vreet je op.’ Ik bekijk het meisje nog eens goed. Armen boos over elkaar geslagen. Pluche krokodil aan haar arm. Zijn staart trilt. Zijn ogen glimmen. Boekentas naast haar op de grond. De tas beweegt.

De bus stopt voor ons. De jongens glijden naar de bodem van de rugzak en houden zich doodstil. Ik pak mijn buskaart uit mijn jaszak, groet de chauffeur, check in en zoek een plaatsje in de bus, uit het zichtveld van de chauffeur zodat de jongens uit de rugzak kunnen.

De chauffeur kijkt niet eens mijn kant op. Aandachtig bestudeert hij de krokodil aan de arm van het meisje. Hij ziet de staart bewegen en zijn gezicht klaart op. ‘Eenmaal een magische knuffel-toeslag’, galmt zijn stem door de bus. Boos neemt het meisje de krokodil van haar arm, stopt met gesloten ogen haar hand in zijn bek en haalt een buskaart tevoorschijn. ‘Niks toeslag,’ zegt zij met licht trillende stem. ‘Dit is mijn handtasje.’ Gedecideerd sluit zij de bek van de krokodil. Teleurgesteld geeft de chauffeur haar gelijk.

Langzaam loopt het meisje naar de stoel achter die van mij. Wanneer zij mij passeert zie ik dat de krokodil knipogend aan haar vingers hangt en hoor gekwetter uit haar tas komen. Zijzelf lacht vrolijk. Het is ook haar gelukt de gewraakte toeslag te vermijden. 

Screenshot 2019-01-06 at 11.56.38 AM.png

⇐⇐⇐℘℘℘⇒⇒⇒

Er is een nieuwe schrijfuitdaging in blogland. Voor regels, voorwaarden van deelname, etc etc, verwijs ik graag naar Schaap schrijft.