Maximaal 40 graden

Sommige mensen denken dat zij leuk zijn. Zo ook de vriend die meende de horror weersvoorspellingen voor Venlo voor de komende week door te moeten sturen. Tweeënveertig graden? Holy whatever! Het zweet breekt mij spontaan uit.

img-20190622-wa0000

In gedachten loop ik de inhoud van mijn kledingkast na. Wat heb ik aan representatieve it’s hotter than hell kleding. Mijn gedachten komen niet ver, dus loop ik naar de slaapkamer om met eigen ogen de opties te aanschouwen. Tot mijn verbazing zitten de Boysz op hun gemak door mijn sokkenbak te rommelen. Sterker nog,  Rozi en Moeltje dragen beide een sokmuts.

‘Jongens, kom op zeg, de mussen vallen dood van het dak, en jullie zitten een beetje tussen de winterkleding te neuzen. Doe niet zo gek. Hup, sokken uit, en weg hier.’ Moeltje doet braaf wat hem gezegd is, maar Rozi niet. Hij grijpt met beide pootjes zijn sokmuts stevig vast. ‘Die heb ik volgende week nodig,’ piept hij.

‘Het wordt 42 graden jongen, dan heb jij echt geen sokmuts nodig. Sterker nog, met een muts op, loop je helemaal het risico dat je fluff en stuff gaat smelten.’ De Boysz kijken mijn aan. ‘Well Rianna, det is exactly de problem. Det wai gaan smelten, or worse, gaan krimpen.’

‘Krimpen?’ vraag ik verbaasd. Toetje knikt. ‘Je kan het bijna niet meer lezen, maar op mijn waslabel staat dat ik maar op maximaal 40 graden gewassen mag worden. Voor het spul waar Rozi van gemaakt is, geldt hetzelfde. Hoe het moet Moeltje zit, weten we niet, maar ik vrees het ergste voor die bonen van die beer.’

‘Maar waarom trekken jullie dan kleding aan. Dan krijgen jullie het toch alleen maar warmer?’

‘Wai hef a plan. Wai verhauzen de komende week naar de groentela. Daer is it lekker cool.’ ‘Een beetje te koel, vandaar onze warme kleren,’ legt Toet uit. ‘Ja,’ snift Rozi, ‘want ik ben al zo klein. Als ik ook nog ga krimpen, blijft er helemaal niets meer van mij over.’

Ik verberg een glimlach, en vertel dat dat het inderdaad beter is dat de heren de komende week niet het balkon opgaan, maar beter in de gang kunnen gaan spelen. ‘Daar wordt het zeker geen 40 graden, en jullie hebben er ruimte om te spelen. Iets wat in de groentela echt niet kan.’ Toet en Moeltje gooien hun sokken terug in de bak. Alleen Rozi twijfelt nog. ‘Ik houd de sok bij de hand,’ piept hij, ‘zodra ik voel dat mijn velletje strakker wordt, duik ik de koelkast in.’

Ervan uitgaand dat het zo’n vaart niet zal lopen, steek ik mijn duim op en zeg, ‘Top idee!’

Dan is ook Rozi overtuigd en samen met zijn sok zet hij het op een lopen, richting de gang. Het lijkt erop dat die nu al voetbalproef is. En ik… Ik ben jaloers. Ik zou ook wel in de koelkast willen gaan zitten. Maar ja, te groot.

∋∋≈≈≈∈∈

Voor de nieuwe lezers: Toet is een Cliniclown-muisje met een eigen willetje, Rozi, Rozifantje voluit, is een creatie van Appelig (en daarmee one-of-a-kind) en Moeltje is en Amerikaanse bruine beany beer die lang geleden in het koffertje van Zoon mee naar Nederland is gekomen. Hij verblijft hier min of meer illegaal.

Ik ben een knuffel van stand

‘Dus het gaat door,’ zegt Toet met een twijfelachtige blik in de ogen, terwijl hij met een pootje naar mijn Mijlpaal (zie zijbalk) Slow fashion Season wijst. Ik knik dat hij gelijk heeft en dat het evenement (de actie) doorgaat. ‘Hum,’ zegt hij, en zucht eens diep.

‘Wat zit je dwars Toet?,’ vraag ik hem.

Hij kijkt mij met zijn zwarte kraaloogjes aan. ‘Ik ben een knuffel van stand en…’ De rest van zijn woorden worden overstemd door een bulderend gelach van Rozi en Moeltje. Toet kijkt zijn vriendjes met vlammende ogen aan, en gooit het hoge woord eruit.. ‘Jullie hebben makkelijk lachen, maar dadelijk moet ik tweedehands sokken dragen. Op mijn schone velletje. Over mijn poezelige oortjes. Om mijn nek. Vlak onder mijn neus. Dat kan toch niet.’

Nu schiet ik in de lach. ‘Lieve Toet,’ zeg ik, en doe niet eens moeite om mijn gezicht in de plooi te houden, ‘jij draagt altijd tweedehands sokken. Alle sokken die jij in de loop der tijden geconfisqueerd hebt zijn van Zoon of mij.’ Toet zegt niets, maar de vlammen doven en zijn mondje schiet in standje ‘ooooooooh’.

toet_sneeuw

‘Bovendien heb ik nog nooit sokken bij de kringloop gezien, dus mocht ik de komende maanden nieuwe sokken nodig hebben, iets wat ik niet verwacht want de sokkenbak puilt uit, dan haal ik die gewoon bij de Hollandsche Eenheidsprijzen MAatschappij. Net als altijd.’

Dit keert haalt hij opgelucht adem. ‘Fijn,’zegt hij dan, ‘want ik ben natuurlijk niet echt een knuffel van stand. Ik ben gewoon Toet. Je weet wel. Gewoon gewoon. Maar wel uniek en met een eigen willetje.’ Even is hij stil, dan zegt hij grootmoedig, ‘Weet je wat, zet mij ook maar bij de deelnemers. Iedereen meer dan 10.000 is mooi meegenomen. En ik denk wel dat het mij gaat lukken!’ 

∋∋≈≈≈∈∈

Voor de nieuwe lezers: Toet is een Cliniclown-muisje met een eigen willetje, Rozi, Rozifantje voluit, is een creatie van Appelig (en daarmee one-of-a-kind) en Moeltje is en Amerikaanse bruine beany beer die lang geleden in het koffertje van Zoon mee naar Nederland is gekomen. Hij verblijft hier min of meer illegaal.

Mai elifriend luufs fries

Eén van de dingen die ik mis, nu ik qua werk even langs de zijlijn sta, is het dagelijks contact met collega’s. Je mag elkaar misschien niet zelf gekozen hebben, het dagelijks samen op de werkplek zijn, het gezamenlijk werken aan een doel, schept een band. Een band die in een aantal gevallen sterker blijkt dan die gezamenlijke werkgever. Zo ging ik vrijdagavond uit eten met het voormalige ICT-team van de derde verdieping. Oh, en die ene uit de kelder was er ook bij.

Het werd een meer dan gezellige avond en mede dankzij een reistijd van een uur was ik pas na twaalven thuis. Na zo’n avond val ik meestal niet meteen in slaap. Wat vervelend is, want ik kan niet meer zo goed uitslapen. Zaterdag was ik dus een beetje brak.  Tel daarbij op dat mijn koutde dankzij een koude wind en een nat pak extra vriendjes om zich heen had verzameld, en je kan je voorstellen dat ik er zaterdag een beetje als een dweil bij hing.

Gelukkig lag er voldoende te eten voor zaterdag in de koelkast, dus ik hoefde het huis niet uit. In de diepvriezer vond ik een pakje kippenlever. ‘Morgen haal ik brood en uien,’ zei ik tegen Zoon. Die is niet vies van een portie kippenlever, dus die ging akkoord. Al bankhangend drong het rond de klok van tweeën tot mij door dat zondag een feestdag is, en daarmee een echte zondag. Alles gesloten. Ik hees mij van de bank, pakte mijn beurs en de boodschappenmand en ging met Zoon in overleg of hij ook iets nodig had. Het lijstje werd langer. Al boodschappenlijstje repeterend trok ik mijn schoenen aan. Het kussen trok mij op de bank. Mijn ogen vielen dicht.

Ik hoorde een deur dichtslaan. Ik maakte een oog open, en zag dat de boodschappenmand weg was. Fijn, dacht ik, Zoon doet de boodschappen. Ik maakte het mij makkelijk op de bank. De slaapkamerdeur van Zoon ging open en ik hoorde hem de kamer inlopen. Ik was acuut wakker. Want als Zoon thuis was, wie was er dan met de boodschappenmand en mijn beurs vandoor? Mijn oog viel op drie lege plekken op de vensterbank. De Boysz en boodschappen doen, dat kan natuurlijk nooit goed gaan. Ik spoedde mij naar de winkel.

De Boysz waren snel gevonden. Zij hadden de boodschappenmand bij de fruitafdeling geparkeerd. Moeltje en Rozi bewaakte mijn beurs, Toet was in overleg met een groep hamsters. ‘Lactose vrije melk,’ hoorde ik Toet zeggen, en één van de hamsters rende weg. ‘Glutenrvrij brood,’ zei Toet, en een andere hamster trok een sprintje. ‘We need froet,’ jubelde Moeltje. ‘No, not in plastic. Ons mens wil plasticvrij froet’.  Hij reikte de hamster een van de herbruikbare groente- en fruitzakjes aan, die standaard in mijn boodschappenmand zitten. ‘De kersen zijn in de aanbieding, die ken je hamsteren,’ piepte een zeer jonge hamster. Ondanks het plastic doosje maakte Moeltje daar likkebaardend een uitzondering voor. ‘Berstensfull with vaitamins. Det is good for our mens.’

Net toen ik zag dat er nog geen uien in de boodschappenmand lagen hoorde ik Toet ‘uien’ zeggen. ‘Wait a minuutje,’ riep Moeltje tegen de hamster die al weg wilde sprinten. ‘Rozi and ai, wai hebben gedacht, as wie geen uien meenemen, but fries and frikandellen, den wie hoef not tokkielivers te eten. Dat zou mai elifriend heel nice vinden. Mai elifriend luufs fries.’

‘Geen uien,’ brulde Toet, ‘wel Vlaamse frieten en glutenvrije frikandellen. Als we die hebben kunnen we afrekenen.’ Hij had dat nog niet gezegd of vier hamsters tilde de mand met boodschappen en knuffels en al op, rende naar de kassa, en voor ik boe of bah kon zeggen, vloog de mand, met een kassabon als wimpel, de winkel uit. En dat allemaal, zonder dat er ook maar één mens verbaasd opkeek. Het leek wel een droom. Snel volgde ik de Boysz naar huis. Bij de straat raakte ik achterop. Zij vlogen onder de auto’s door, terwijl ik op diezelfde auto’s moest wachten.

Thuis aangekomen plofte ik op de bank neer, knipperde  met mijn ogen. De Boysz zaten op de vensterbank, de boodschappenmand was, op mijn beurs na, leeg. Voor de zekerheid checkte ik de inhoud van de koelkast. Leeg. Ik had gedroomd.

Zuchtend vertrok ik richting de winkel. Het doosje kersen, wat niet op het lijstje stond, verdween in mijn mandje. Net als een zak Vlaamse friet en een doosje glutenvrije frikandellen. Dan hoef ik maandag de deur ook niet uit, dacht ik, en bedankte in gedachten Rozi voor dit goede idee.

Eenmaal thuis bleek ik de uien vergeten. Rozi heeft geluk. We eten zondag friet, en ik moet maandag gewoon boodschappen doen.