Het lijkt wel, hatsjoe, lente!

Maandag voelde ik mij zozo. Dinsdag was ik wat rillerig. Ik weet dat aan de wandeling door de Blerickse koude. Woensdag, na een heerlijke middag in goed gezelschap, begon mijn keel wat te protesteren. Nu had ik kans gezien om, ondanks een telefoon met routeplanner in de hand, te verdwalen in winderig Doetinchem (of all places), dus ik besteedde er weinig aandacht aan. Het leek mij iets wat met een nacht goed slapen wel weer voorbij zou zijn. Niet dus. Er volgde twee koortsige nachten en dagen waarin ik blij was met het bestaan van trachitol. Balend lag ik op de bank in de zon te vegeteren. Mijn enige momentje buiten de wandeling naar en van de winkel.

Het werd zaterdag. Na het doen van de boodschappen kwam ik tot de conclusie dat het een stuk beter met mij ging. Ik lunchte in de zon op mijn balkon. Dat voelde zo goed dat ik mij met stoel, boek en wasrek terugtrok op mijn balkon. Al snel volgde een eerste niesbui. Gevolgd door een tweede en een derde. Mijn neus liep. Wat zeg ik, mijn neus rende. Ik voelde eens aan de klieren in mijn hals, maar die waren echt niet meer gezwollen. Die keel kon ik vergeten. Die was weer zo goed als nieuw. Misschien was het de geur van de BBQ’s waar mijn neus niet aan kon ontsnappen. Of de chemische geur van dat spul waar je schoenen en jassen mee waterdicht kunt maken.

In de boom tegenover mijn huis floten vogels een vrolijk lied. Zo klinkt het tenminste. In werkelijkheid schijnen de dames en heren vogels vooral te fluiten om de rest van de vogelpopulatie te beledigen. Te waarschuwen. Te bedreigen. Dat heb ik mij door een kenner laten vertellen. Ik keek naar de berk en vroeg mij af of ik al iets groens zag. Ik niesde wederom en ik wist… die boom is aan het uitbotten. Dat kan niet anders. Het is weer tijd mijn hooikoortsmedicatie uit de kast te halen. Hatsjoe.