Rondvliegende rotzakken

boedertoet

Gedempt door twee deuren hoor ik  ‘Uch, kuch, uch’ uit de kamer van Zoon komen. Ik ben niet de enige die het hoort. Toet zit ineens rechtop, laat zich van zijn plekje boven de verwarming glijden en rommelt in zijn kledingkist. ‘Waar is mijn kruis, waar is mijn kruis,’ hoor ik hem mompelen terwijl de sokken mij om de oren vliegen.

Weer hoor ik een ‘Uch, kuch, uch’. Nu is het Moeltje die overeind schiet. ‘Hai is ill, mai mens is ill. Ik moet naar hem toe.’ Moeltje laat zich van de bank glijden en rent richting de slaapkamer van Zoon, waarbij hij Toet, die net zijn kruis heeft gevonden, omver loopt.

Toet grijpt hem vast. ‘Waar ga jij zo snel naar toe dat je een Toet in functie omver loopt.’ ‘Mai mens is ziek. Ai heer him kuchen. Hai heeft mai nodig,’ zegt Moeltje terwijl hij zich probeert los te rukken. ‘He-le-maal niet!,’ roept Toet. ‘Hai…  euh… hij is ziek. Zieke mensen vallen onder mijn verantwoordelijkheid, want ik ben een cliniclown-muisje.’

In zijn haast om te reageren vergeet Moeltje adem te halen. ‘Wearwasjoewhenhehadhisamandelnootjesremoved.’ Terwijl Moeltje diep ademhaalt, klinkt er weer gekuch uit de kamer van Zoon. ‘When he got his gehoorbuisjes?’

‘When… euh… wanneer was dat?,’ vraagt Toetje timide. ‘A long time ago, my young friend. In de vorige eeuw was det.’ Toet denkt diep na. ‘Toen was ik nog niet eens een idee, laat staan een knuffel.’ Grootmoedig biedt hij Moeltje het rode kruis, wat hij in zijn kledingkist heeft gevonden, aan. ‘Dan is het kruis voor jou! Jij hebt het verdiend.’

Met bevende pootjes bevestigt hij het kruis op de schouder van Moeltje. Samen wandelen ze de slaapkamer van Zoon in. Samen vliegen ze de slaapkamer van Zoon weer uit. Verbouwereerd lopen ze de huiskamer weer in. ‘Hai’s a beetje cranky,’ zegt Moeltje. ‘Ja, en heel erg sjagerijnig,’ knikt Toet.

Ik ga even polshoogte nemen en stel een boodschappenbriefje samen. Hoestdrank, keelpastilles, neusspray. Een uurtje later zet ik de nieuwe voorraad op tafel. ‘Ohhhh, medicijnen,’ jubelt Toetje. ‘Die ga ik beheren. Aan de kant, ik moet nog een kruis maken.’ Terwijl Toet, onder toeziend oog van Moeltje, aan de slag gaat met rode stift, papier en een schaar, vraag ik aan Rozi of Toet voor hem ook een rood kruis moet maken.

Rozi schudt gedecideerd van nee. ‘Dat uchen en kuchen van Zoon, dat komt door piepkleine kruipbeestjes,’ antwoordt hij. ‘Als ik ergens een hekel aan heb, dan is het aan piepkleine kruipbeestjes. Die vliegen door de lucht en maken je ziek. Ik blijf bij Zoon uit de buurt.’

‘Je bent een slimmerik,’ antwoord ik, terwijl ik een hoestbui onderdruk. Het lijkt er op dat een van die kleine rondvliegende rotzakken mij al te pakken heeft gekregen. Kuch.